Het is een winterse dag als ik de boer spreek. De koude oostenwind jaagt de gevoelstemperatuur omlaag. De koeien in de openfront stal hebben volop voer en liggen relaxed te herkauwen in de ligboxen. Het werk op het land ligt stil. Genoeg tijd voor een praatje. “Kom, laten we naar binnen gaan, daar is het behaaglijk.” Als we over het erf richting het woonhuis lopen, passeert een auto luid claxonnerend op de openbare weg. De boer zwaait vriendelijk. “Nieuwe buren.” reageert hij ongevraagd. “Mensen uit de stad die het heerlijk vinden om nu op het platteland te wonen.”
Even later zitten we aan een bak koffie en steekt de goed gestemde boer van wal. “Tja, wanneer kwam de omslag,” vraagt de boer zich hardop af. “Volgens mij vanaf het moment dat we als boeren in de gaten kregen dat we niet telkens vanuit het defensief moesten reageren op alle aantijgingen uit de maatschappij. We namen het heft in eigen handen.”
We waren het roerend met elkaar eens, maar er veranderde niets
“Boeren en tuinders kunnen als geen ander voedsel produceren: dieren verzorgen en planten telen. We worden er wereldwijd om geroemd, behalve destijds in Nederland. Communiceren met de burger, de consument, dat vonden we maar lastig. Het leidde tot verwarring en frustratie: waarom begrijpt de Nederlandse burger niet waarom we relevant zijn, klaagden we in koor tijdens de talloze bijeenkomsten van onze leden- en brancheorganisaties. We waren het roerend met elkaar eens, maar er veranderde niets.”
“De verandering kwam toen jonge nieuwe bestuurders zich aandienden bij de belangenorganisaties. Hun boodschap was helder: “Ja, de wereld verandert en boeren kunnen prima beantwoorden aan nieuwe behoeften. Ze benadrukten dat het essentieel is dat we kennis delen over hoe we aan nieuwe eisen tegemoet kunnen komen. Hoe we dankzij innovatie op een veilige manier voldoende en gezond voedsel kunnen produceren. De communicatie veranderde van re-actief en defensief naar pro-actief: progressief en optimistisch. Dat klinkt nu heel voor de hand liggend, maar toen was dat revolutionair.”
Een overgrote meerderheid stemde voor contributieverhoging
“Ik kan me nog de ledenbijeenkomsten herinneren waarin deze nieuwe bestuurders moreel leiderschap etaleerden en contributieverhogingen aankondigden om meer geld te kunnen steken in publiekscampagnes. Het geklaag en gezucht was enorm. We hadden het al zo zwaar! Hoe durfden ze een contributieverhoging aan te kondigen? Een verlaging lag meer voor de hand! Toch hielden de nieuwe voorzitters voet bij stuk. Een publiekscampagne was broodnodig om de beeldvorming over de voedselmakers in Nederland in balans te brengen. Een mening die diep in het hart door alle boeren en tuinders werd gedeeld, want toen het op een stemming aankwam, was de overgrote meerderheid voor een contributieverhoging.”
Gebruik je macht als boer
“De nieuwe bestuurders hadden nog een boodschap voor de leden: gebruik je macht als boer of tuinder door je leverancier of afnemer eveneens te dwingen bij te dragen aan de publiekcampagne. Op de schouders van iedere boer en tuinder rusten immers tien personen die hun inkomen uit de land- en tuinbouw halen. De agro- en foodsector draagt ook verantwoordelijkheid: hun businessmodel is afhankelijk van het voortbestaan van boeren. De nieuwe bestuurders hadden dit slim bekeken en brachten de operationele uitvoering van de publiekscampagne onder in een onafhankelijke stichting, die meerjarig verantwoordelijk werd voor de public relations van de gehele land- en tuinbouw. De voedselmakers en de periferie trokken zo gezamenlijk op. Deze aanpak werkte: de saamhorigheid groeide en de kas, benodigd voor impactvolle communicatie, werd gevuld. Iedereen kan inmiddels de radio- en tv-campagne dromen waarin op een verrassende manier duidelijk werd gemaakt dat achter ieder levensmiddel een boer staat. Niet alleen burgers, maar vooral ook beleidsmakers, herontdekten de herkomst van voedsel.”

Samen optrekken
“Deze van onderop beweging kreeg een extra boost toen ook de overige plattelandsbewoners zich gingen inzetten voor het behoud van het platteland. Zij zagen met lede ogen aan hoe boeren op discutabele gronden werden gedwongen om te stoppen. Dat vonden ze vervelend voor de boer, maar vooral ook voor zichzelf. De mogelijkheid om dichtbij eieren, melk, vlees, groente en fruit te kopen verdween uit zicht en maakte plaats voor moerassen, turbowindmolens, datacenters en logistiekdozen. Toen ook natuurgebieden werden afgesloten voor een ontspannen wandeling was de maat vol. Ze verenigden zich in de Vakbond voor Plattelandsbewoners en oefenden succesvol invloed uit op de provinciale en landelijke politiek. De wet- en regelgeving werd in overeenstemming gebracht met de praktijk: profetische en technische inzichten kwamen weer in balans.”
Sloopmelk en plofkip campagnes verstomden
De boer schenkt nog eens in: “Gelukkig kwamen we op tijd tot inkeer dat we elkaar moesten opzoeken. Door met elkaar aan tafel te gaan in plaats van over elkaar te praten. Door trots te zijn op ons land en het elkaar te laten zien. De agressieve ‘sloopmelk’ en ‘plofkip’ campagnes verstomden, de waardering voor de voedselmakers steeg. Bij burgers was die eigenlijk altijd al goed, maar nu kregen ook de media, de beleidsmakers en de politici oog voor de onderstroom en werd het contact met de praktijk hersteld. In plaats van boeren uit te kopen, worden boeren nu fatsoenlijk beloond voor de diverse functies die we vervullen: van voedselproductie tot natuurbeheer en van zorgtaken tot recreatie.”
De boer knipoogt: “Zoals ik het nu vertel, klinkt het heel logisch, maar destijds zaten we echt op een dood spoor. Bij de ommekeer sprak de minister-president destijds de legendarische woorden: ‘Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.’”
