Geen gedraal: ruim baan voor een liberaal, optimistisch en progressief verhaal

Irene van der Marel

Irene van der Marel typeert zichzelf als eko modernist, een relatief nieuwe stroming in het duurzaamheidsdebat. Eko modernisten onderscheiden zich van de traditionele milieubeweging, die pleiten voor ontgroei, consuminderen en leven in harmonie met de natuur. Eko modernisten geloven in technologische vooruitgang, innovatie en economische groei als de meest realistische weg naar een duurzame en welvarende toekomst voor mensen én de natuur. Door hoogproductieve landbouw op een klein landoppervlak te concentreren, kan landbouwgrond elders teruggegeven worden aan de natuur of kan natuur elders behouden blijven. Landsparing prevaleert boven landsharing.

Irene van der Marel was gedurende 25 jaar – tussen 1997 en 2022 – biologisch melkveehouder en kaasmaker. De motivatie om biologisch te werken was niet door idealistische motieven ingegeven, maar de wens om een onderscheidend product te maken dat qua smaak, storytelling en marketing in Stroe en omgeving verzekerd is van een winstgevende afzet. ‘We hebben ons nooit afgezet op de gangbare landbouw. Iedere boer maakt afgewogen keuzes, die respect verdienen van collega’s. Het opdringen van je eigen visie werkt enkel moraliserend en drijft boeren uit elkaar.’

Als dochter uit een Westlands tuindersgezin lag een carrière in de melkveehouderij niet voor de hand. ‘Het leren ging me goed af. Op mijn achttiende trok ik de deur van mijn ouderlijk huis achter me dicht en ging ik milieuhygiëne studeren aan de Wageningen Universiteit. Ik vond een woonplek in Driebergen en reisde voor mijn studie de hele wereld rond. Na het halen van mijn bull had nog een half jaar over binnen mijn studiebeurs. Er heerste destijds een grote werkeloosheid in Nederland, dus na enkele weken tomaten plukken thuis, ging ik aan de slag als stagiaire bij een melkveehouder in Stroe. Ik wilde leren koeien melken. Deze stageperiode liep uit op een 25-jarig bestaan als melkveehouder en zuivelbereider,’ lacht Van der Marel.

Van der Marel blikt met genoegen terug op haar jeugd in het Westland. ‘We woonden in een stad van glas aan het eind van een doodlopend straatje. Om toch een beetje uitzicht te hebben, had mijn moeder bij de bouw van het huis voorgesteld om de huiskamer op de eerste verdieping te situeren. Zo keken we over een zee van glas richting Delft; de zon ging achter de kassen onder. Als puber was ik recalcitrant. Ik was kritisch op het gebruik van chemie in de glastuinbouw en liet dat ook nadrukkelijk merken. Tegelijk was ik ook ‘besmet’ met de super efficiënte wijze van tomaten telen. Deze ogenschijnlijk tegenstrijdige opvatting leidde tijdens mijn studie in Wageningen tot misverstanden, want alhoewel ik als vegetariër werd geaccepteerd, merkte ik dat de glastuinbouw werd bekritiseerd. Moderne land- en tuinbouwtechnieken werden tijdens mijn studie milieuhygiëne beschouwd als een probleem. Het was niet best met al die mest. Tuinders werden getypeerd als geldbeluste ondernemers die het niet zo nauw namen met de regels.’

Na haar studie combineerde Van der Marel haar rol als melkveehouder met een baan bij Agro Eko, een adviesbureau in de biologische glastuinbouw, waarbij ze glastuinders begeleidde om in plaats van op substraat weer op de grond te gaan telen. ‘Tuinders zijn experts in het beheren van data. Door onderling kennis en data te delen, stuwen ze elkaar op tot topprestaties. Een grondtuinder, Ruud van Schie, maakte gebruik van een algenpreparaat en behaalde hiermee aansprekende resultaten. Ik adviseerde hem om de afzet van zijn groenten als biologisch te labelen en daarmee een meerprijs te rechtvaardigen. Van Schie volgde mijn advies en besloot een biologische kas ter grootte van 3 hectare in Ens te bouwen. Daar heb ik wel even wakker van gelegen. Gelukkig pakte dit in de praktijk goed uit.’

Van biologisch naar eko modernist

Van der Marel manifesteerde zich vervolgens als voorzitter binnen de Bond van Boerenzuivelbereiders en als verbinder in de Bioraad binnen Biohuis, waarin alle sectoren, plantaardig en dierlijk, zijn verenigd. Biologisch telen in kassen kan, zoveel werd duidelijk. Verlies aan opbrengst door minder goed beheersbare ziekten en plagen wordt gecompenseerd door een hogere opbrengstprijs. ‘Toch begon het te knagen. Waarom zou je tomaten op dure grond in Nederlandse kassen telen als je ze goedkoper en met een lagere footprint uit warme, zuidelijke landen met buitenteelten kunt importeren? Biologisch telen in een substraatmat van natuurlijke oorsprong is Europees alleen gecertificeerd toegestaan in landen die te maken hebben met lage wintertemperaturen, zoals Scandinavië. Als dit in Nederland ook zou zijn toegestaan, was het aandeel biologische consumptie significant hoger.’ Van der Marel benadrukt dat er in feite niets mis is met biologisch, mits dit beantwoord op een behoefte uit de markt: ‘Voor consumenten die bereid zijn een meerprijs te betalen voor de onderliggende teelttechniek is biologisch een uitkomst. Daarentegen is de gangbare substraatteelt efficiënter, goedkoper en productiever. De eko modernist in mij stond op.’

Misleiding

Zo stoort Van der Marel zich bijvoorbeeld aan de discussie rondom de naamstelling van zuivel- en vleesproducten. ‘Havermelk is geen melk, maar haverdrink. De nutritionele samenstelling wijkt significant af van koemelk en zet consumenten op het verkeerde been. Dat is pure misleiding. Hetzelfde geldt voor vleesvervangers. Kweekvlees is onbetaalbaar. Er is hier sprake van grote marketingfouten. Het staat iedereen vrij voedsel te produceren, maar ga uit van je eigen kracht en positionering. Doe geen halfslachtige pogingen iets te imiteren wat in de verste verte niet het origineel benadert. En wees dus ook niet verbaasd als je door de rechter op de vingers wordt getikt.’

Ongegrond natuuralarmisme

Een scheiding was de aanleiding voor een breuk met de melkveehouderij, waarna Van der Marel zich momenteel profileert als consultant met veel expertise op het gebied van farmdata. Pragmatisme en realisme zijn Van der Marel hierbij niet vreemd. Vanuit haar kennis over de biologische land- en tuinbouw is ze sinds haar studie bovengemiddeld geïnteresseerd in de rol van stikstof. ‘Aangezien in de biologische landbouw geen kunstmest wordt gebruikt, is het stikstofleverende vermogen van de bodem cruciaal. Ik volg het stikstofdossier al ruim 30 jaar en blijf me verbazen over het gebrek aan kennis bij beleidsmakers en de overheid als het gaat om het effect van stikstof op bodem, lucht en water. Er is sprake van alarmisme – de natuur staat op omvallen – terwijl waarnemingen en observaties in de praktijk geenszins aanleiding vormen voor zorgen. Er zijn aandachtsgebieden, zeker, maar die zijn met de juiste beheermaatregelen prima te optimaliseren. Europa vraagt in haar Vogel- en Habitatrichtlijnen dat de natuur niet mag verslechteren. De wijze waarop landen dit inrichten c.q. bepalen is aan de lidstaten zelf. Nederland heeft vervolgens ‘koppen’, bovenwettelijke eisen, op de status gezet en deze tussentijds ook verzwaard, waardoor onterecht de indruk wordt gewekt dat de natuur er slecht aan toe is. Het tegendeel is waar, zo bevestigen ook oud-directeuren van Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, maar wordt politiek niet geaccepteerd.’

Vooringenomen media

‘Het fixeren op een bepaalde habitat met specifieke soorten heeft eveneens als gevolg dat beheermaatregelen nodig zijn om deze habitat te behouden. Zonder ingrijpen verandert een heideveld in bos. Successie noemen we dat: een volkomen natuurlijk proces. Je moet dus periodiek maaien, afvoeren, plaggen. In de Weerribben moet je dus ook telkens het riet maaien om dichtgroei te voorkomen. Een logisch verhaal, althans voor mij met mijn achtergrond in Wageningen en de biologische landbouw. Tot mijn schrik bemerkte ik dat deze kennis niet meer gemeengoed is bij gevestigde landbouwpartijen, zoals CDA en VVD. De opkomst van BBB is hiermee eveneens verklaard. Een tweede constatering is dat ook de gevestigde media zich heeft laten meeslepen in dit fatalistische denken. Geluiden en rapporten die aantonen dat het helemaal niet zo slecht gesteld is met de natuur krijgen simpelweg geen gehoor.’

Van der Marel komt ter zake. ‘AAN TAFEL! is bij uitstek het podium om ruimte te geven aan een liberaal, optimistisch én progressief verhaal. Verandering kan plaatsvinden over deze drie assen. Geef ruimte aan ondernemerschap. Stop met doemdenken. Stop het model denken. Moedig innovaties aan. Het Aerius model is niet experimenteel getoetst en kan de werkelijkheid niet goed weer geven. Aerius maakt niet aannemelijk dat stikstof de instandhouding van soorten in de natuur beïnvloedt. De veelvoud aan aannames in het model zijn van invloed op de uitkomst en maken het onbruikbaar als basis voor wetgeving. Toch is dit precies hetgeen in de praktijk gebeurt.’ Van der Marel beklemtoont: ‘Je kunt geen compromis sluiten met de duivel.’

Wie is er bang voor de vooruitgang?

‘Filosoof en publicist Jaffe Vink beschreef in zijn boek ‘Wie is er bang voor de vooruitgang?’ feilloos de paradox van onze tijd. Ondanks ongekende technologische en maatschappelijke vooruitgang lijkt het wantrouwen tegenover wetenschap, innovatie en moderniteit groter dan ooit. Vink duidt de geschiedenis van milieubewegingen, mediahypes en doemdenken. Van zure regen tot CO₂, van Q-koorts tot gsm-straling. Vink laat zien hoe angst voor vooruitgang vaak gebaseerd is op misverstanden, ideologie en selectieve kennis.’

‘Rolvastheid is cruciaal en werkt depolariserend. De politicus moet vanuit waarden oordelen. De wetenschap mag geen politiek bedrijven. Het is wenselijk dat de wetenschap haar oorspronkelijke positie inneemt: waarnemen en vaststellen. Met een wetenschappelijke publicatie ‘Een kritische reflectie op de wetenschappelijke onderbouwing van het stikstof depositiebeleid,’ draag ik hier actief aan bij en kunnen RIVM en WUR op een ander denkspoor gezet worden. Wageningen is groot geworden door extrapolaties op veldniveau voor plantengroei. Het voorspellen van milieu-impact, met tal van variabelen met onderlinge interactie, is andere koek en onmogelijk in een model als Aerius te vangen. Het enige dat je met nauwkeurigheid kunt meten is de aan- en afvoer van nutriënten. Aanvoer van voer, kunstmest; afvoer van melk, vlees, gewassen en mest. Boeren kennen dit nog als MINAS: Mineralen Aangifte Systeem. Daarmee kun je de efficiëntie vaststellen. Dat is een valide basis voor beleid en juridische borging.’

Van der Marel besluit: ‘Bovenal is een massale oproep noodzakelijk om Nederland te behoeden voor fatalistische keuzes op het gebied van landbouw en natuur en in het verlengde hiervan de Nederlandse economie. Ik zie AAN TAFEL! als een ideaal podium om dankzij de inzet van nieuwe, online media het positieve, optimistische verhaal uit te dragen. Ik herhaal: via de drie assen liberaal, optimistisch en progressief. Zichtbaarheid van voedselinnovaties via Google, YouTube en social media draagt bij een energiek verhaal voor Nederland. Het summum is een AAN TAFEL! omroepstatus. Politici en beleidsmakers zijn gevoelig voor de publieke opinie via generieke media: online, via radio en tv. Door kennis te delen en elkaar te inspireren laten we bottom-up zien dat we samen een gezonde en veilige toekomst kunnen genereren.’

Irene van der Marel: ‘Angst voor vooruitgang is vaak gebaseerd op misverstanden.’

Deel dit bericht: