Wie AAN TAFEL! gaat met Gerdien Kleijer treft een uiterst bewogen tafelgast die vol passie en gedrevenheid vertelt over haar bevindingen in het buitengebied. De geboren Twentse Kleijer kan bogen op een rijke ervaring in diverse functies gerelateerd aan agro en food, variërend van dierenarts en docent tot LTO-projectleider en thematrekker ‘Waarderen en Verdienen’ binnen regiodeal Foodvalley. Tegenwoordig combineert Kleijer haar tijd als zelfstandig consultant met die van strategisch adviseur landbouw en natuur bij Gemeente Ede. In deze rollen staat ze voortdurend op scharnierpunten tussen boer en beleid: “De ondergrens van het aantal boeren in Nederland komt in zicht.”
Oorzaken en gevolgen beter duiden
Amper aan tafel aangeschoven steekt Kleijer van wal door haar verbazing uit te spreken over de evaluatie van het Natura2000 beheerplan van een gebied in de regio Foodvalley. Kleijer: “Het Natura2000 gebied ligt ingeklemd tussen een industrieterrein en een woonwijk. In de evaluatie van de Natura2000 beheerplannen van de afgelopen jaren wordt de boerensloot omschreven als ‘vervuild’, maar een nadere definitie was lastig te vinden. Als natuurherstelmaatregel werd de boerensloot afgesloten van het natuurgebied. In het natuurgebied was de vis grote modderkruiper toegevoegd als doelsoort in 2018. Droge zomers zorgden vervolgens voor een verdroging van het gebied. Ook is niet duidelijk wat de effecten zijn van de aanleg van een nieuwe woonwijk met 3.000 woningen op de hydrologie in het gebied. Voorstel voor het nieuwe natuurbeheerplan is onder andere om beregening in agrarische gebieden aan banden te leggen. Maar eerst is echt meer onderzoek nodig naar oorzaken en gevolgen. De modderkruiper, die inmiddels niet meer te vinden is in het gebied, wordt door boeren nog steeds wel gezien in de ‘vervuilde boerensloot’. Gelukkig stelde iemand voor dat er dan kon worden opgeschreven: ‘doel behaald elders’. Zo zie je maar weer dat je altijd echt heel goed moet kijken wat echt oorzaak en gevolg zijn.”
Het gemak en de snelheid waarmee de landbouw te vaak als enige veroorzaker en als enige leverancier wordt aangewezen stoort Kleijer. “Zowel aan de natuurkant als aan de landbouwkant overheersen emoties vaak. Ja, landbouw heeft effecten op de leefomgeving, die kunnen trouwens ook positief zijn. Maar dat we nog steeds woonwijken aanleggen waar we douchen en de wc doortrekken met drinkwater, dat is toch onbegrijpelijk?”
Complexiteit van natuurbeheer
Een ander zorgpunt van Kleijer richt zich op de gebrekkige kennis over en uitvoering van natuurbeheer. “Alle aandacht lijkt nu gevestigd op één drukfactor, stikstof, terwijl er tal van andere factoren een rol spelen op de staat van de natuur. Denk bijvoorbeeld aan die waterwinning: als je water wint, onttrek je calcium en draag je daarmee ook bij aan verdere verzuring. Boeren bekalken hun gronden, en trouwens de meeste tuineigenaren ook. In Ede hebben we de bossen bekalkt en we zien daar goede effecten van. We verliezen momenteel veel praktische kennis doordat experts met een rijke cultuurtechnische achtergrond met pensioen gaan. Dat geldt zowel in de landbouw als ook in het natuurbeheer.”
Urgentie om kennis te delen
Kleijer gelooft niet dat er sprake is van een dubbele agenda, waarbij de ongeschreven regel is dat de landbouw moet wijken. “Terreinbeherende organisaties hebben oprecht het beste voor met de natuur. Ik onderschrijf de stelling van Rutger Bregman in zijn boek ‘De meeste mensen deugen’. Het is vooral ook een kwestie van brede kennis delen: natuurbeheerders en boeren spreken elkaar te weinig en gaan dan eenzijdig naar dingen kijken. Terwijl juist op het snijvlak de oplossingen liggen. Ik ben een voorstander van de inzet van boeren in natuurbeheer: zij wonen in het gebied, zijn er 24/7 aanwezig, terwijl ingehuurde krachten vaak van buiten het gebied komen en er maar beperkt aanwezig zijn. Op een avond over het Utrechtse Programma Landelijk Gebied kwam dit onlangs ook aan bod: veel natuurgebieden zijn in de afgelopen decennia onvoldoende beheerd door gebrek aan geld. Maar nu is er weer geld dus nu willen ze actiever gaan beheren. Maar de vraag is wel wat er met natuurgebieden gebeurt als er weer minder geld is. Ik zou liever inzetten op zoveel mogelijk agrarisch natuurbeheer dan op nog veel meer extra natuur. Zo zie ik potentie voor de ‘BAM-akkers’: op stukken van minimaal 5 hectare kun je een Biodivers Akker Mozaïek aanleggen: geweldig voor biodiversiteit en vogels, en er komen ook nog steeds gewassen af die je kunt inzetten voor voeding voor mensen of dieren.”
Systeemverandering
“In een ideale wereld zie ik ook graag alle dieren in de wei lopen, dat alles biologisch is en we geen gewasbeschermingsmiddelen meer nodig hebben. Daar wil ik ook wel naar toe. We hebben echter sinds de jaren vijftig een systeem gebouwd waarin huizen onbetaalbaar zijn geworden en voedsel supergoedkoop en efficiënt in de supermarkt ligt. De supermarkt is toch echt wel een soort wonder: in alle steden kan iedereen elke dag genoeg vers eten kopen. Terwijl er geen boerderij meer te bekennen is. De impact van deze efficiëntie op het milieu moeten we verminderen. Het is niet logisch om de schuld hiervoor louter bij de boeren te leggen. Wat nodig is, is geen landbouwtransitie, maar een systeemverandering, waarin we allemaal iets te doen hebben. De rol van de consument en de keten moeten door overheden gezien worden en meegenomen in de systeemverandering.”
Lessons to be learned
“We hebben weinig geleerd van de geschiedenis. Na de varkenspest in 1997 stimuleerde minister Brinkhorst onder andere de varkenshouderij over te schakelen op biologisch. Albert Heijn toonde zich aanvankelijk een enthousiaste afnemer. De praktijk was echter dat te weinig mensen bereid waren het duurdere varkensvlees af te nemen. Dat leidde tot financiële drama’s waarbij zowel Albert Heijn, als de slachterijen als ook de boeren allemaal hun verlies moesten nemen. Diverse varkenshouders moesten terugschakelen naar gangbaar. Slachterij De Groene Weg startte met een wachtlijst: eerst meer vraag, dan pas meer aanbod organiseren. De harde les is dat als er geen afzet is het geen zin heeft boeren tot andere productiesystemen te dwingen. Kipster van Ruud Zanders doet dat beter: Kipster regelde eerst de afzet met Lidl voordat ze de eerste stal gingen bouwen. Het verhaal van Kipster is sterk en wordt goed uitgedragen. Dat helpt ook.”
Praktijk en theorie: verstaan we elkaar?
Kleijer schetst een beeld waarbij de besluitvorming anno 2026 op compleet andere gronden is gestoeld dan vroeger. “Indertijd werd het bestuur voornamelijk uitgeoefend door mensen uit de praktijk. Voormalige dominees, ingenieurs, bakkers, slagers, boeren en techneuten groeiden door als bestuurders. We kenden nog geen studierichtingen als politicologie en bestuurskunde. De huidige bestuurders hebben steeds minder ervaring als ondernemer of vakman, en ook ambtenaren staan vaak verder bij de praktijk vandaan. Besluiten nemen is steeds lastiger. Er zijn in het drukke Nederland heel veel regels bij gekomen. Ter illustratie: in de gemeente Ede werken op het gebied van ruimtelijke ordening meer mensen dan ooit en tegelijkertijd worden er weinig huizen gebouwd en moeten mensen die een aanvraag doen voor een vergunning steeds langer wachten. Hetzelfde zie je op landelijk niveau bij de ministeries, waarin niet de effectiviteit van maatregelen maar juridische processen centraal staan. Het aantal gebiedsregisseurs en opgavemanagers is exponentieel gegroeid zonder tastbare output. Voor het Nationaal Plan Landelijk Gebied (NPLG) zijn destijds honderden ambtenaren aangesteld. De vraag is hoe effectief dat allemaal is. Er wordt meer dan ooit vergaderd, maar ondertussen zit het land steeds verder op slot. Nogmaals: ik kom ontzettend aardige en gedreven mensen tegen, die oprecht hun best doen, maar als je ze vertelt dat zelfs als we alle dieren uit Nederland verwijderen we door de achtergronddepositie nog niet de kritische depositiewaarde van de Veluwe halen, blijkt dat nieuwe informatie. Het zicht op de realiteit ontbreekt.”
De kracht van ervaren mensen
“We moeten beter in beeld brengen wat er werkelijk gebeurt. Er is in de Gelderse Vallei in het verleden veel kalvermest uitgereden, waardoor de bodem verzadigd is met fosfaat in gebonden toestand. Je kunt de bodem afgraven, uitmijnen, maar je kunt ook omdenken. Deze fosfaat stelt ons in staat nog generaties lang landbouw te bedrijven mits we deze fosfaat beschikbaar maken. Stikstof kan via planten uit de lucht gehaald worden. Stikstof is vrij mobiel en hoeft niet een direct probleem te zijn als er voldoende water aanwezig is. Gebruik je boerenverstand, blijf nieuwsgierig en vraag door. De overheid mist ondernemerschap. Er is te weinig aandacht voor de juiste mensen op de juiste plek. Bijvoorbeeld de Ontwerpnota Ruimte die onlangs ter inzage lag, heeft wel aandacht voor juridische en financiële instrumenten, maar mist een paragraaf over kennis en mensen. Delen we dezelfde kennis en hebben we vervolgens de menskracht om de plannen om te zetten in realisatie? Met het verdwijnen van uitvoeringsorganisaties zoals de Dienst Landelijk Gebied (DLG) is eveneens kennis verdwenen, die we nu weer nodig hebben in gebiedsprocessen. De overheid heeft niet nog meer juristen nodig, maar techneuten; mensen die de praktijk begrijpen.”
Toekomstperspectief eerst, dan pas handelingsperspectief
“Enkele jaren geleden kwam minister Staghouwer met een perspectiefbrief. Toen besefte ik: deze brief staat vol met handelingsperspectief, maar een stip op de horizon ontbreekt. Ondernemers hebben behoefte aan duidelijke kaders én een helder toekomstperspectief.
Een voor de hand liggende gedachte is dat we boeren financieel moeten belonen voor natuurinclusieve maatregelen, maar geld is slechts één knop waaraan de overheid kan draaien. De ondernemer heeft bovenal behoefte aan duidelijkheid over de spelregels en het speelveld. Het gaat dus ook om regels, en in dit gebied zeker ook om grond. Als je ondernemers vertelt wat de lange termijn kaders zijn en je geeft een duidelijk en lange termijndoel dan redt hij of zij zich in de regel prima.”
“In gemeente Ede zijn we geschrokken van hoeveel goede boeren willen stoppen of al gestopt zijn. Hoe kunnen wij als gemeente bijdragen aan toekomstperspectief voor de landbouw? We doen dat door in gesprek te gaan met boeren, en te kijken hoe we ons ruimtelijke ordeningsbeleid beter kunnen gaan inzetten. Wij denken bijvoorbeeld over een graslandnorm of over sturen op grasland in bepaalde landschappen. Zo blijven gronden beschikbaar voor de melkveehouderij en kan prijsopdrijving wellicht aan banden worden gelegd. In gesprek met een boer vroeg die persoon: ‘Is bestemming melkveehouderij ook een optie?’. Daar had ik zelf nog niet aan gedacht.”
“Om voldoende boeren over te houden is het bijvoorbeeld ook van belang dat bedrijven kunnen worden overgedragen aan de volgende generatie. Hoe meer geld een bedrijf waard is, hoe lastiger dat wordt. Overleg met een gebied over passende spelregels, bijvoorbeeld door vast te leggen dat de grond die vrijkomt in een bepaald gebied een melkveehouderijbestemming behoudt, in plaats van bijvoorbeeld lelieteelt mogelijk te maken.”
KPI’s voor de overheden
“We praten nu al jaren over doelsturing, waarbij borging door middel van Kritieke Prestatie Indicatoren (KPI’s) wordt vastgelegd. Op zich een prima oplossingsrichting, maar wat is de KPI van de overheid als besluitvorming hierover zo lang op zich laat wachten? Intussen gaat de middelsturing onverminderd door en dreigt opnieuw een generieke korting voor de veehouderij. Ik pleit, en niet als enige, voor een stoffenbalans, zoals we in het verleden met Minas (Mineralen Aangifte Systeem) hebben gedaan. De overheid wil daar ook naar toe, maar het gaat nog jaren duren. Iedereen zoekt naar een systeem dat waterdicht is. Maar dat is er niet. Je moet vooral kijken of een systeem in de praktijk leidt tot resultaat. En dat deed MINAS: in die tijd hebben we veel stikstofemissie gereduceerd. Voor mij is het nog wel de vraag of de stoffenbalans ‘afrekenbaar’ moet zijn. Ik zie meer in monitoren en belonen van geboekte winst.”
‘Handstand of koprol’, het maakt niet uit
“Als dierenarts werd ik al in 2007 benaderd door varkenshouders die een product in de stal gebruikten waardoor de ammoniakemissie uit de stal afnam van 40 tot 50 ppm naar 6 tot 8 ppm. In de stal rook je geen ammoniak. Een geweldige oplossing zou je denken. Harde cijfers, meetbaar, effectief. Toch wilde WUR dit product niet verder onderzoeken omdat het werkingsmechanisme onduidelijk was. Juist van wetenschappers verwacht je een houding met meer nieuwsgierigheid. Het is de rol van de wetenschap om vragen te stellen en te onderzoeken. Het blijkt in de praktijk ontzettend lastig om ‘middelen’ op de RAV-lijst te krijgen (Regeling Ammoniak Veehouderij).
Zo zijn er meerdere middelen op basis van bacteriën waarvan bekend is dat ze ammoniak ‘eten’ om zich te vermeerderen. Medewerkers van de omgevingsdienst van Overijssel vroegen over één zo’n middel of het niet verboden kon worden. Want als boeren dat middel gebruikten, werkte de luchtwasser onvoldoende en kon de omgevingsdienst het niet controleren. Een omgekeerde wereld, waarbij wantrouwen boven vertrouwen regeert. Verder zijn er ook technieken of werkwijzen die in landen om ons heen zijn goedgekeurd, maar die dan in Nederland eerst opnieuw door de universiteit van Wageningen moeten worden getest. We zouden hierin echt beter en sneller kunnen samenwerken binnen Europa. Zo is in Engeland het planten van bomen rondom stallen een erkende methode om ammoniak en fijnstof af te vangen. Dat moeten we hier ook echt beter gaan bekijken. Het kan een win-win-win zijn: je draagt bij aan groen-blauwe dooradering, legt CO2 vast en vangt ammoniak en fijnstof af. En eerlijk gezegd wordt het landschap er ook nog mooier van.”
Het moedige gesprek: van evidence based naar experience based
“We hebben bestuurders met lef nodig, die knopen durven doorhakken. Nu hebben we wetten met getallen en jaartallen. Dit leidt continu tot rechtszaken. Door stikstof zit het land op slot. In de Gelderse Vallei voerden we enkele jaren geleden een keer ‘het moedige gesprek’. Dit was gebaseerd op een werkwijze uit Zuid-Afrika. Daar waren grote problemen rondom de mijnbouw. Uiteindelijk bood bisschop Desmond Tutu aan om ‘het moedige gesprek’ te faciliteren: de dialoog met elkaar aan gaan in een veilige omgeving, met de deuren dicht.”
“De centrale vraag hierbij is hoe we vanuit ‘evidence based’ onderzoek de verbinding kunnen maken met onderzoek in de praktijk, ‘experience based’, waarin we voortdurend leren en openstaan voor nieuwe mogelijkheden en ontwikkelingen. Ik zie teveel dat het ministerie naar de Wageningen Universiteit luistert, terwijl er juist in het praktijkveld zoveel innovatie is. Meer aandacht voor praktijkgericht en toegepast onderzoek is echt nodig. Het ministerie start met experimenteerlocaties, maar ondertussen is er niet of nauwelijks echte experimenteerruimte. Vaak met als reden ‘dat het niet mag van Brussel’.”
Kleijer besluit: “Onderzoek naar innovaties hoeft niet duur te zijn, integendeel. Boeren zijn van nature ontzettend creatief bij het onderzoeken en toepassen van nieuwe bodem-, teelt-, conservering- en dierhouderijsystemen. Het gaat dan over vakmanschap van de boer, gebruiken wat er al is. Meestal niet over nieuwe dure techniek. De oplossingen liggen al voor onze neus, ongeacht of het nu over voedselproductie, natuurbeheer, energiewinning, zorg of recreatie gaat. Het buitengebied herbergt het allemaal. De kunst is om deze ideeën te verzamelen en een groot podium te geven ter inspiratie van collega-boeren en beleidsmakers. We hebben alle boeren keihard nodig om alle doelen in het buitengebied te bereiken. De ondergrens van het benodigde aantal boeren komt in zicht. Durf die ondergrens bespreekbaar te maken. Gemeente Ede durft het aan. We kunnen dit samen en moeten het massaal delen zodat andere gemeenten niet opnieuw het wiel hoeven uit te vinden. Stichting AAN TAFEL! biedt een ideaal podium: met AAN TAFEL! gesprekken en TROTS&ZIEN documentaires.”
