In de spreekkamer van het Nederlands Centrum voor Mestverwaarding (NCM) trekt een replica van schilder Pieter Bruegel de aandacht. Linksonder op het schilderij ‘Kinderspelen’ uit 1560 staan kinderen in een drolletje te roeren. Het tafereel symboliseert de nieuwsgierige, taboeloze ontdekkingsdrang van het kind. Een gesprek aan tafel met Jan Roefs, directeur van NCM, leert dat het schilderij hier volledig op zijn plaats is.
Mest. Iedereen heeft er een mening over. De een haalt zijn neus ervoor op. Akkerbouwers, veehouders en tuinders kunnen niet zonder, althans de gewassen en grassen varen er wel bij. Boeren noemen mest daarom ook wel ‘het bruine goud’.
Veel mensen associëren mest met een overschot aan stikstof, welke een nadelige invloed heeft op stikstofgevoelige planten in natuurgebieden. NCM zorgt voor overzicht in deze ingewikkelde wereld en deelt kennis over de verwaarding van mest: goed voor de boer en tuinder, goed voor de bodem en een circulaire economie; maatschappelijk en economisch gewaardeerd.
Roefs verwoordt kernachtig de functie van NCM: “Mest is een complex onderwerp waarbij meerdere disciplines samenkomen. De gevoeligheden in het publieke debat maken het extra lastig. Het imago is niet altijd positief geweest, gevoed door excessen uit het verleden. Uiteindelijk dient er een integrale oplossing gevonden te worden. Eendimensionale regels sluiten hier niet altijd goed op aan. Non-profit stichting NCM adviseert onafhankelijk en neutraal hoe mest het beste tot waarde kan worden gebracht.”
Roefs: “Ten opzichte van onze start in 2018 is de markt helemaal veranderd. Waar het toen vooral ging over een mestoverschot van varkens, kippen en kalveren waar een bestemming in de akkerbouw voor werd gezocht, zie je nu een ander beeld. Er zijn marktstructuren ontstaan, waardoor mest efficiënt en met waarde wordt aangewend in binnen- en buitenland. Het verbetert in gebieden met tekorten de bodem en de gewasgroei. Ook is de mestproductie gedaald door een krimpende veestapel. In de melkveehouderij ondervindt men nu echter de gevolgen van aanscherpingen in het mestbeleid. Een belangrijke is het wegvallen van de derogatie. Met derogatie mochten melkveehouders onder voorwaarden een groter deel van de bemestingsruimte met dierlijke mest invullen. Nu is dit er niet meer en moeten ze mest afvoeren. Ook meer kunstmest aankopen trouwens. Er wordt nu zelfs mest vanuit de melkveegebieden naar het zuiden gebracht, waar voorheen altijd de overschotten waren. Dat was vijf jaar geleden ondenkbaar.”
“Mest is gevoelig voor ammoniak- en methaangasvervluchtiging. Er zijn verschillende technieken om deze emissies tegen te gaan. Mestvergisting is een interessante oplossing om methaangas af te vangen en in te zetten als groen gas. Renure is een andere optie, waarbij dierlijke mest tot waarde wordt gebracht en de kunstmestgift significant kan verlagen. Als je mest vergisting combineert met Renure productie heb je een integrale oplossing voor het klimaat, voor circulariteit, voor stikstof, voor betere meststoffen en voor reductie van transportbewegingen.”
Roefs doet een oproep aan de politiek om bestuurlijk lef te tonen: “Ongeacht de omvang van de veestapel moet je zo hoogwaardig mogelijk omgaan met mest. Voorkomen van verliezen uit mest naar het milieu en via mestverwerking waardevolle producten maken is wat mij betreft een belangrijke stap voor een duurzaam voedselsysteem. De oplossingen zijn er. Denemarken geeft het goede voorbeeld, want daar wordt al veertig procent van de mest zo bewerkt. We hoeven het wiel dus niet opnieuw uit te vinden; we moeten het gewoon, geclusterd per regio, gaan doen. Het gaat in Nederland om 200 installaties van middelgrote omvang, die ruimtelijk prima inpasbaar zijn bij loonbedrijven of grote melkveebedrijven. Geef ruimte aan private initiatieven die een publiek, maatschappelijk doel dienen en faciliteer dit met de benodigde vergunningen.”