De olifant in de porseleinkast of toch de mentale Dzjengis Khan in de polder

De Olifant in de porseleinkast

Auteur: Em. prof. dr. René van den Hoven 

Sinds het aantreden van het kabinet-Schoof heeft het publieke debat een opvallend theatrale wending genomen. Politiek en media lijken elkaar te hebben gevonden in een permanente staat van urgentie, morele verontwaardiging en bestuurlijke nervositeit. Wie het debat met enige afstand volgt, kan zich nauwelijks aan de indruk onttrekken dat niet zozeer inhoudelijke meningsverschillen, maar vooral de omgang met complexiteit zelf het centrale probleem vormt. 

In dat opzicht is het minder relevant welke vooropleiding de betrokken actoren hebben. Relevanter is de vraag hoe complexe, niet-lineaire beleidsproblemen worden teruggebracht tot hapklare morele frames. De verbazing die dit proces kan oproepen, laat zich kernachtig samenvatten in de vraag: ligt het probleem in de uitzonderlijke complexiteit van de situatie, of in de uitzonderlijke eenvoud waarmee zij wordt benaderd? Die vraag vormt het vertrekpunt van dit essay. 

Wat volgt is geen moreel oordeel over individuele politici of journalisten, maar een poging om het waarneembare gedrag van Tweede Kamer en media tijdens de missionaire en demissionaire fase van het kabinet-Schoof te begrijpen als systeemgedrag. De centrale these is dat wat vaak wordt geïnterpreteerd als doelbewuste obstructie of vileine strategie, overtuigender kan worden verklaard als emergent gedrag in een chaotisch politiek-mediaal systeem. 

Methodologische verantwoording 

Doel en afbakening 

Dit essay analyseert het gedrag van Tweede Kamer en media tijdens de missionaire en demissionaire periode van het kabinet-Schoof zonder uit te gaan van veronderstelde intenties. Het uitgangspunt is niet de morele beoordeling van actoren, maar het verklaren van patronen in besluitvorming, communicatie en blokkadegedrag. De focus ligt op beleidsdossiers met een sterke biologische en ecologische component, zoals stikstofproblematiek, dierhouderij en wolvengedrag, waar niet-lineaire causaliteit en kennisasymmetrie een dominante rol spelen. 

Analytisch kader 

De analyse combineert inzichten uit de complexiteits- en chaostheorie, bestuurskunde en politieke psychologie. Politiek en media worden daarbij opgevat als een complex adaptief systeem, waarin uitkomsten niet lineair voortvloeien uit intenties, maar ontstaan uit interacties tussen actoren, institutionele regels en externe prikkels. Begrippen als emergent gedrag, feedbackloops, beperkte rationaliteit en systeeminstabiliteit vormen hierbij het analytische raamwerk. 

De methodische inspiratie is mede ontleend aan het werk van Herbert A. Simon, die met het concept bounded rationality liet zien dat besluitvorming zelden het resultaat is van volledige informatie of optimale afwegingen. In plaats daarvan wordt zij gevormd door cognitieve beperkingen, tijdsdruk en institutionele context. Deze benadering legitimeert een analyse die afstand houdt tot intentiegerichte verklaringen en zich richt op structurele dynamiek. 

Binnen dit kader wordt gedrag niet primair verklaard vanuit individuele strategieën, maar vanuit terugkerende interactiepatronen en structurele prikkels. Dat maakt het mogelijk om falend of 2 

inconsistent functioneren te analyseren zonder dit automatisch toe te schrijven aan bewuste sabotage of gecoördineerde kwaadaardigheid. 

Bronnen en datatypen 

De analyse is gebaseerd op een driehoeksverhouding van drie typen bronnen: 

  1. Institutionele en empirische bronnen, waaronder parlementaire debatten, moties, stemmingen en beleidsdocumenten, die zichtbaar maken hoe actoren feitelijk handelen. 
  2. Media-analyse, gericht op framing, herhaling van narratieven en temporele samenhang tussen politieke gebeurtenissen en berichtgeving. Niet de intenties van journalisten staan centraal, maar de structurele effecten van medialogica. 
  3. Publieke perceptie en electorale data, zoals opiniepeilingen en verkiezingsuitslagen, om te toetsen hoe het functioneren van Kamer en kabinet door kiezers wordt gewaardeerd. 

Deze combinatie voorkomt dat conclusies uitsluitend rusten op anekdotes of normatieve interpretaties. 

Hypothesevorming en toetsing 

De centrale hypothese luidt dat het waargenomen motie- en blokkadegedrag beter verklaard kan worden als chaotisch en emergent dan als het resultaat van consistente, partij-ingegeven strategie. Als alternatieve hypothese wordt expliciet opengehouden dat sprake kan zijn van bewuste obstructie ten gunste van politiek eigenbelang. Deze mogelijkheid wordt niet uitgesloten, maar getoetst aan criteria zoals consistentie over tijd, interne coherentie en aantoonbare strategische opbrengst. Waar dergelijke kenmerken ontbreken, biedt de chaos-hypothese een overtuigender verklaring. 

Beperkingen en scherpte 

Deze methodologie pretendeert niet individuele intenties vast te stellen of morele schuld toe te wijzen. Zij richt zich op patronen en effecten. Juist door intenties buiten beschouwing te laten, kunnen prestaties hard worden beoordeeld op hun uitkomsten en consistentie. De analyse is daarmee afstandelijk, maar niet mild. 

Emergent gedrag in plaats van ontworpen strategie 

Voor kritische buitenstaanders lijkt het gedrag van Tweede Kamer en media in deze periode vaak het product van bewuste, soms zelfs vileine strategie. Die interpretatie veronderstelt echter een mate van kennis, coördinatie en consistentie die in de praktijk moeilijk vol te houden is. Wanneer politieke retoriek en mediatieke urgentie worden afgepeld, resteert een patroon dat overtuigender kan worden begrepen als emergent gedrag binnen een chaotisch systeem. 

In beleidsdossiers met een sterke biologische component wordt besluitvorming regelmatig gedomineerd door vereenvoudigde aannames en morele frames die onvoldoende recht doen aan ecologische complexiteit. Niet zozeer individuele onkunde staat daarbij centraal, maar structurele kennisasymmetrie: biologische causaliteit is traag, niet-lineair en slecht te vangen in het ritme van het nieuws of het format van het Kamerdebat.

Politiek en media versterken elkaar in korte feedbackloops waarin zichtbaarheid, verontwaardiging en urgentie belangrijker worden dan inhoudelijke consistentie. Het resultaat is gedrag dat niet ontworpen, niet stabiel en niet strategisch coherent is, maar wel reproduceerbaar chaotisch. Moties en blokkades ontstaan als lokale reacties op prikkels die het systeem zelf genereert, niet als onderdelen van een langetermijnplan. 

Wat van buitenaf kan overkomen als sabotage of kwaadaardige obstructie, blijkt bij nadere beschouwing vaak het onbedoelde gevolg van systeemdynamiek waarin vereenvoudiging structureel wordt beloond. De instabiliteit van het politieke proces is daarmee geen bewijs van strategische sluwheid, maar van het ontbreken van inhoudelijke ankerpunten die normaliter richting en demping zouden bieden. 

Wie dit gedrag beziet door de lens van complexiteitstheorie hoeft geen toevlucht te nemen tot complotten of verborgen agenda’s. Chaos volstaat als verklaring — en dat is misschien een minder geruststellende, maar wel een realistischere conclusie. 

Misschien is dat een ongemakkelijke gedachte in de aanloop naar Kerstmis, een periode waarin orde, richting en verzoening traditioneel centraal staan. Juist dan confronteert deze analyse ons met een minder feestelijke werkelijkheid: dat bestuurlijke onrust niet altijd voortkomt uit kwade wil, maar vaak uit een gebrek aan structurele rust, reflectie en begrip van de complexiteit die men zegt te willen beheersen. 

Lees ook ‘De representatiekloof: van wetenschappelijke nuance naar beleidsmatige absolutie’:

‘Dat wat vaak wordt geïnterpreteerd als doelbewuste obstructie of vileine strategie, kan overtuigender worden verklaard als logisch gedrag in een chaotisch politiek-mediaal systeem.’

Deel dit bericht: